Leidse woorden en uitdrukkingen

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

Ingestuurde Woorden, uitdrukkingen en zinnen | Aanvullingen (eigen en ingezonden) | Leids dictee | E-meeuw |


A
1. Aas, aans, aanst: verbastering van aanstonds of straks, We kennen ook mettertaas, een contaminatie van aans of aanstonds en mettertijd
2. Afgaan: poepen
3. A la fondant: ingericht huis waarbij alles qua kleur bij elkaar past
4. Ampart: Leids voor apart. Typisch Leidse toevoeging van de m zoals in fambriek.
5. Asem: adem
6. Avergasie: hele handel
7. Avvekaatje met een kuiffie: advocaatje met slagroom

<< naar boven >>

B
8. Bakkie pleur: kopje koffie
9. Ballenjatter: politieagent
10. Bamboezeur: pierewaaier, losbol, fuifnummer, kroegloper
11. Bamzaaier: klap
12. Bassie: kleine knikker
13. Bedeen: meteen
14. Begeur: opschepper
15. Betijen: lekker laten gaan
16. Bosjotkade: Boisotkade
17. Bledder: leren voetbal, grote vrouwenborst, kale kop
18. Bleddergek: jongen die gek is op meisjes
19. Beukie: glazen knikker met een soort van beukennootje erin
20. Brampere: gekookte aardappels met peren
21. Brommert: bromfiets
22. Broodluier: servet

<< naar boven >>

D
23. Dajakker: iets groots (dajakkers van palingen)
24. Darm: etterbak
25. Dèr: nou, vooruit dan maar. In de samenstelling: Ik geef je een knaak, dèr! Ook uitroep van verbazing
26. Deun: dun
27. Dibbes: troetelnaam voor ouderen en huisdieren, ouwe dibbes
28. Dokker: grote glazen knikker
29. Dorpel: drempel
30. Drieoktobertrui: gebreide wollen trui met opstaande kraag die Leidenaars met 3 oktober dragen
31. Driewielkarretje: driewieler
32. Dulle hes: tikkeltje ordinaire dame
33. Dulle kier: meisje dat op zeer jonge leeftijd al achter de jongens aanloopt

<< naar boven >>

F
34. Fibeldekwink: kind dat niet kan stilzitten
35. Fleure: gearmd over het ijs slieren en schaatsen
36. Fondement: anus, kont
37. Frummeletten: tuttebellen

<< naar boven >>

G
38. Gabber: kameraad
39. Gallemieze: kapot, failliet
40. Garemart: Garenmarkt. Loop naar de pomp van de Garenmarkt: loop naar de hel. Zij vrijt met de pomp op de Garenmarkt: ze heeft nog geen verkering
41. Gasbal: iemand uit de Kooi. Die wijk grensde aan het gebied waar ooit de gasfabriek stond
42. Gazzer(d): norse kerel
43. Gebbe: gezicht
44. Genees: geen eens
45. Getemteerde: stampot rauwe andijvie
46. Getroebeleerd: iemand die raar doet, de weg kwijt is (figuurlijk)
47. Gleufdiertje: jonge vrouw
48. Glibber: iemand die door de Spaanse linies glipte in 1574. Ook wel glipper genoemd
49. Glippen: ergens naar binnen gaan zonder te betalen
50. Goed: kleren. Nog niet geschikt voor goed van drie centen een el: je deugt nergens voor. Of: Heb je goed gegeten? Ja? Dan kun je lappen schijten
51. Gouwjas: gladde zakenman
52. Granefoon: grammofoon
53. Gulpenruiker: homofiel

<< naar boven >>

H
54. Habbekrats: weinig
55. Hakbijlenbuurt: nu de wijk Transvaal achter het Belastingkantoor
56. Halve sjoof: vijftig cent
57. Harde: een glaasje jenever
58. Hé, jûh metse: een uitnodigende roep om te gaan voetballen, matchen
59. Hé jûh, krijg nou tieten: krijg het lazarus
60. Helmzeel: soort bretel
61. Herebonen: sperziebonen
62. Hokkefaien: het met een ander houden
63. Holladrie: vrouw met een gat in haar hand
64. Hollewaai: iemand die weinig nadenkt, maar wél nadrukkelijk aanwezig is of een meisje dat nogal vrij is in haar seksuele bezigheden, of ook gewoon een heel vrolijk, vrij kind
65. Hooffie wassen: aangeven van een kind
66. Hu: dikke kont. Ook paardenbiefstuk

<< naar boven >>

I
67. Impersant: in het voorbijgaan, en passant

<< naar boven >>

J
68. Jambek: mafkees, lullo
69. Jûh: joh
70. Jûh roojum: joh, ik geloof er niks van

<< naar boven >>

K
71. Kaakkie: klap, ook biscuitje
72. Kaartje brad: stopwol, sajetgaren
73. Kak: verbeelding, in het Leides ook wel bleddy hoera genoemd
74. Kakmadam: vrouw met verbeelding
75. Kanebraaier: opschepper
76. Kanekop: hoofd met zweren
77. Kasie: makkie, meevallertje
78. Ket: plezier
79. Ketjas: grappenmaker
80. Klapbegonia: homofiel
81. Klei Korea: de Fruitbuurt tussen de Lammenschansweg, Veilingkade en Zoeterwoudseweg. De huizen waren slecht gebouwd en dus gehorig en dat gaf aanleiding tot scheld- en knokpartijen en vormde een kleine afspiegeling van wat er zich in de jaren vijftig in Korea afspeelde
82. Klikkers: ogen
83. Kluiveduiker: halve zool. Oorspronkelijk: serveerster die erwtensoep (met kluif) opschept
84. Koekeroe: Leidse duif. Wordt ook gebruikt als enigszins spottend scheldwoord voor iemand die iets niet goed doet
85. Koeliekerk: Hartebrugkerk
86. Koeressier: iemand die zich bazig gedraagt, manwijf
87. Kolkezuiger: auto die kolken leeg zuigt
88. Kolluk: kolk, put
89. Konkelefoezen: arglistig handelen, intrigeren
90. Kooiproleet: omschrijving van bewoners van de Kooi door niet-wijkgenoten
91. Koppelaar: bokking zonder kop
92. Kouwe Speklappenbuurt: bijnaam voor de Professorenwijk. Werd ook wle Vaste Wastafelbuurt genoemd
93. Kraak(wagen): grofvuil en auto waarmee grofvuil wordt opgehaald. Woord komt in heel Nederland voor, maar krijgt extra dimensie door Leidse uitspraak
94. Kroppie: een slap, onbeduidend mannetje
95. Krotekoker: scheldwoord
96. Krotewater: het goedkoopste drankje op een feestje
97. Krijtschijter: knikker van inferieure kwaliteit
98. Kuister: knikker, ook klap, grote vrouwenborst of bult
99. Kuisterzakkie: zakje waarin knikkers worden bewaard
100. Kukke: poepen
101. Kwaadwater: donker, zuurstofarm water ’s zomers in de Leidse grachten
102. Kwallebak: scheldwoord

<< naar boven >>

L
103. Labberdaan: slappe, smakeloze gesneden kaas
104. Lam Halfie: zich lamlendig gedragen
105. Larvekar: kinderwagen
106. Lasdrager: bagagerekje van fiets, lastdrager
107. Leiû: Leiden
108. Leip zuurdeeg: iemand die uit haar of zijn nek praat
109. Lekke pijp: lekke band
110. Loederum: knokken
111. Looier: een stalen kogel die dienst deed als knikker
112. Lucifergesticht: werd vroeger mee gedreigd als kleine kinderen niet wilde luisteren. Daar werden de haren weggebrand
113. Lijer: lichaam. Lijf

<< naar boven >>

M
114. Majorettewoning: maisonnette
115. Mè: de vrouwelijke tegenhanger van jûh
116. Mè è, gille maar zo, die heb strontverbeelding: meid lachen, die verbeeldt zich nogal wat
117. Mè è, wat hè’k nou amme hak hange?: Wat overkomt mij nu?
118. Mekker: klap
119. Moeders: dikke palingen of haringen
120. Moembakkes: masker

<< naar boven >>

N
121. Naakte kindertjes in ’t groene gras: stamppot snijbonen
122. Natte krant: raar ventje. Ook wel gebruikt als scheldwoord voor roddelaarsters door de absorberende werking van papier in vergelijk met die vrouwen die al het “nieuws” tot zich nemen en dit “verspreiden”
123. Net: raam. Het net interen: een raam of de ramen ingooien
124. Nijpaars: Gierigaard, vrek. Iemand die zo gierig is dat hij zijn anus dichtknijpt bij het doen van zijn behoefte omdat hij zelfs daarvan moeilijk afstand kan doen

<< naar boven >>

O
125. Oet aan de ree: blut zijn
126. Oetjetoe: lummel
127. Okkeloen: scheldwoord gebruikt tegen een huichelaar
128. Open kles: inkijk omdat de gordijnen open staan

<< naar boven >>

P
129. Paartje: stelletje, klein aantal
130. Parg: etterbak. Oorspronkelijk schurfthoofd
131. Pauper: armoedzaaier
132. Peuren: op een speciale manier op paling vissen. Ook neuspeuteren
133. Peueraar: iemand die peurt
134. Peurbak: schuitje waarmee Leidenaars gingen vissen op paling
135. Peren: stevig drinken, wegwezen: ik peer ‘em!
136. Plaatwit: witbrood van de warme bakker
137. Pleur op: rot op
138. Platte brug: brug tussen Korte Maren en Haarlemmerweg
139. Poekie: spel met vier knikkers
140. Porder: iemand die tegen betaling zijn klanten uit bed roept. Menselijke wekker
141. Porrumpie: gezichtje
142. Pumpel(tje): capuchon
143. Puinbooiers: jongens uit de Kooi die op kerstbomenjacht waren

<< naar boven >>

R
144. Ransaap: vieze man
145. Ridderen: het huis op orde brengen. Ook redderen genoemd
146. Rontonde: rotonde
147. Ruiperig: armetierig of morsig. Komt waarschijnlijk van het woord Rui
148. Ruiten: bril
149. Rutuberculubus: wordt verschillend geschreven, maar betekent terig, lazerus in de zin: krijg het rutuberculubus
150. Rijpes: geld

<< naar boven >>

S
151. Sjap: onverzorgde man
152. Sjappetouwer: iemand die de avond voor de kraakwagen komt, kijkt of er iets van zijn gading bij is
153. Snelzeikerdje: een damesslip met wijde pijpen
154. Scheerbak: zandgebakje met een roze geglazuurde bovenlaag
155. Schriep: gierigaard
156. Schijffie drijfijs: ijsblokje
157. Sjineesies: kleine, witte knikkers met een dun gekleurd randje er overheen
158. Sjoege: geen reactie, hij geeft geen sjoege
159. Soortement: een soort van
160. Spatsies: praatjes, verbeelding
161. Spekvreter: insect met lange poten
162. Sporren: bijbuigen van een bril
163. Spinpoten: spastische bewegingen
164. Standje Zurloh: een uiterst merkwaardige pose, zo genoemd naar de nogal uitgesproken houding van de etalagepoppen van een van de eerste deftige damesmodewinkel in de Breestraat
165. Stikkeltje: elastiekje
166. Sinkdeke: vrouw die met veel mannen het bed heeft gedeeld
167. Strontverbeelding: poeha of verbeelding. Leidenaars zeggen: die heeft zo’n strontverbeelding, die schijt hoger dan z’n reet zit
168. Stuiteren: knikkeren, ook kuistere genoemd
169. Stijfselbaan: flaneerroute in de jaren vijftig van de vorige eeuw waar veel verliefde stelletjes op zondagmiddag gearmd een wandelingetje gingen maken. Volgens de overlevering werd er gewandeld van de Stationsweg en Steenstraat naar de Blauwpoortsbrug en weer terug. Stijfsel kan ook slaan op de lak of de brillantine in het haar van de mensen die flaneerden of de zondagse kleding die werd gedragen en war gesteven. Maar stijfsel in de betekenis van sperma kan ook
170. Sijsielijmer: slijmbal

<< naar boven >>

T
171. Taddek: vod, lor, lap of vuil, smerig wijf of vies kind, vuile vaatdoek, poetslap. Ook wel toddik of taddik genoemd
172. Takkedemies: het Academisch Ziekenhuis Leiden, nu LUMC genoemd
173. Tante Betje: poepdoos
174. Tarretoet: smeerpoets of smoezelig type
175. Tatebak: klus, uitstekende onderkin
176. Temeier: prostituee
177. Temmes: gek. In verbindingen: zeer, heel, erg hard of veel, een slag in de rondte, ’t apezuur. Ik heb me ’t temmes gefietst
178. Tering(lijer): tuberculose of iemand die daar aan lijdt
179. Tinnef: troep, tuig
180. Treitel: hoofd, kop
181. Trens: pak slaag
182. Trouwers: mensen die het stadhuis ingaan om in het huwelijk te treden
183. Trouwstraatje: straatje tussen Breestraat en Botermarkt. Net als het woord roofoverval met goed fatsoen niet door je strot te krijgen, als het goed op z’n Leids wordt uitgesproken
184. Trijp/triep: darmen of pens. Die klets het rijp van je stoelen en het is alleen maar alebessepraat: iemand die aan één stuk door onzin praat
185. Tweetjes: één paar

<< naar boven >>

U
186. Uitgescheten palingvel: zo ziet iemand er uit na een avondje doorzakken in de kroeg
187. Uitheiligen: iemand treiteren of in de maling nemen. Sarrend uitlachen
188. Uit joks spelen: na het knikkeren krijg iedereen zijn eigen knikkers terug

<< naar boven >>

V
189. Verampeneerd: beschadigd, vernield
190. Vlikobak: in Leiden en omgeving ingeburgerd begrip voor vuilcontainer. Vliko was het bedrijf dat de bakken leverde.
191. Vullis: uitschot, tuig

<< naar boven >>

W
192. Wat tan jûh: Wat dan joh
193. Werdaa: Wijde Aa
194. Wowowewal: roofoverval

<< naar boven >>

Z
195. Zaaier: klap
196. Zadelsnuffelaar: homofiel
197. Zeen: mep, tik
198. Zevenzeiker: zeurkous, ook gierigaard of vrek
199. Zeikerdje: vrouwelijk geslachtsdeel
200. Zeiknest: eigenwijs, jong kind
201. Zeikzeiltje: onderzeiltje in kinderledikant
202. Zot, zottigheid, zottepraat: onzin
203. Zottehuis: gek
204. Zije hiel: verwijfde man, bangerik
205. Zijkend hoogie: hoog brood van het Friese bakkertje op de Groenhazegracht
206. Zijn: hem of haar. Het is van zijn: het is van hem of haar. Ga over zijn staan: ga tegenover hem of haar staan

<< naar boven >>


Ingestuurde uitspraken of zinnen:

207. An de preutel zijn: diarree hebben
208. De Hartebrugskerk moet door de Maarsmansteeg: een zware bevalling
209. De klok heeft al gelooie en de fluit geflooie, meides de deur gaat dicht: werd geroepen door de meisjes van de wolfabriek Clos en Leembrugen aan de Langegracht die naar hun werk moesten
210. De moord steken: stikken
211. Die gaat ongepind de kist in: oude, ongetrouwde vrouw
212. Die heeft meer mannen gehad dan er klinknagels in de Moerdijk zitten: vrouw met véél meer dan één relatie
213. Die vrouw of man steekt niet uit: die vrouw of man is vreemdgegaan
214. Een buik met benen: zwanger zijn
215. Een duiker maken: het huis een grote beurt geven
216. Een onsje smijmpies voor de pieren en een onsje smousies voor de klieren: een ons schuimpjes voor de kleintjes en een ons babbelaars voor de grotere kinderen
217. Eén toet mem: alles is gelijk, het maakt allemaal niets uit
218. Een vrouwenhand doet meer as ’n pond stijfsel: seksueel getinte uitspraak onder arbeidersvrouwen
219. Effe tikken: betalen
220. Er wordt en ouwehoer gevraagd in de Scala: Uitdrukking uit de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het werd gezegd tegen iemand die nogal veel praat. Scala was een theater in de Wagenstraat in Den Haag waar revues en variétévoorstellingen waren met Lois en Heintje Davids, Lou Bandy, Willy Derby en vele anderen. Veel Leidenaars gingen er naar een show. Het theater is in de jaren vijftig van de vorige eeuw afgebroken
221. Flap draaien: kroos opvissen uit een sloot
222. Goosie Mekul: iemand die niet slim is
223. Heiter voor je treiter: klap voor je kop
224. Hempie raakt d’r gatje niet: vrouw met veel poeha
225. Het tranenkleed aantrekken: trouwen
226. Het veld: Schuttersveld waar vroeger de kermis op 2 en 3 oktober was
227. Hij heeft nog geen luis om dood te drukken: hij heeft geen geld
228. Hij heeft zeker model gestaan bij Van der Luit: hij ziet er heel slecht uit
229. Hij kijkt niet zo deun: hij neemt het niet zo nauw
230. Hij loopt van jou: hij heeft een uitkering
231. Ik ben Leipe Loetje niet: ik ben niet gek
232. Ik ben paardje schijtgeld niet: het geld groeit mij niet op mijn rug
233. Ik peer ‘em: ik ga er vandoor
234. Jij komt zeker uit de Bouwelouwesteeg: werd gezegd tegen iemand die zich slecht gedroeg, De steeg, tussen Haarlemmerstraat en Van der Werfstraat, was symbool voor armoede en ongepaste manieren
235. LBF, altijd klef: Leidenaars die brood van de Leidse Broodfabriek, afgekort tot LBF, niet lekker vonden zeiden dat. De oorspronkelijke reclameleus was Brood van de LBF, voedzaam, smakelijk en niet klef
236. Jûh, heb ik wat van je aan dan: als iemand je iets te nadrukkelijk aankijkt
237. Liever de Hartebrugs om dan mijn glaasje: geroepen door een Leidenaar die wel van een borreltje houdt: ik heb liever dat de Hartebrugkerk omvalt dan mijn glaasje
238. Maak me de pis niet lauw: je maakt mij niet bang
239. Mè, ik zeik in me lorre: meid, ik plas in mijn broek
240. Mè, schik je tieten, daar komt de veld: meid, loop rechtop, daar komt de veldartillerie (was ooit in Leiden gelegerd)
241. Meid, daar gaat de directeur van de suikerfabriek. Moet jij suiker roepen, zal ik kijken of hij kijkt. Suiker! Meid, kijk hem kijken: gevleugelde Leidse uitdrukking
242. Mik schieten: met een katapult schieten
243. Moeders ideaal, een kinderwagen van Langezaal: was de reclameslogan die aan de gevel van de gelijknamige firma aan de Stille Rijn hing. Het verhaal gaat dat studenten ’s nachts de letters “erwagen” van de kinderwagen hebben verwijderd.Vanaf dat moment is de hilarische kreet: moeders ideaal, een kind van Langezaal te horen.
Ingezonden reactie: Moeders ideaal een kind van Langezaal klopt niet helemaal. Vroeger hing er aan de gevel van de firma Langezaal aan de Stille Mare een groot wit reklamebord met de tekst: Moeders ideaal een kinderwagen van Langezaal. Op een nacht hebben, waarschijnlijk studenten, van het woord kinderwagen de letters erwagen  weggeverfd. Nadat het Leidsch dagblad aandacht had geschonken aan het voorval, was het een tijd lang voor sommige mensen de gewoonte om zwangere vrouwen na te  roepen. 
244. Niks te mare, de Mare ligt achter de Haarlemmerstraat en die is nog gedempt ook: werd gezegd tegen een kind dat voortdurend maar, eh zegt.
245. Op het stro liggen: dood zijn
246. Op ree zitten: na een verhuizing helemaal zijn ingericht
247. Op salet zitten: je ongenoegen uiten over iemand die niet de handen uit de mouwen steekt
248. Over de (grote) trap trouwen: wil je goedkoop of zelfs, op maandagmorgen, gratis trouwen, dan ga je aan de achterkant het stadshuis binnen. Maar wie het breed laat hangen, gaat via de trap in de Breestraat de trouwzaal binnen
249. Rooie dakduivel: roodharige
250. Slag mij wat: je bent niet de enige, ik ook
251. Tetje geven: borstvoeding
252. Tuintje op je buik: begraven liggen
253. Zo mager als een halfsteensmuurtje: héél mager
254. Leidse vervoegingen van werkwoorden. In het Leids zitten behoorlijk wat afwijkingen in de vervoegingen van de sterke werkwoorden: ik heb ’t gemorke; d’r stinge veel mensen, hij plagt te zeggen, ik gaan(t), ik dors ’t niet, aas fallie, ik kon ‘m nie, ik ken d’r niks an doen, ‘k heb ’t daar neergelege en uiteraard: ken het zijn dat ik u kan?

<< naar boven >>


Eigen aanvulling:

255. Persies: precies
256. Kep een V&D speler gekocht: ik heb een DVD speler gekocht
257. E-meeuw: E-mail
258. Argessief: Agressief
259. Juh mot me nie vraguh waknie weet: Je moet mij niet vragen wat ik niet weet

Ingezonden uitdrukkingen/gezegden: (waarvoor dank aan de inzenders)

Ingezonden door Piet Cambier:

260. Ja hee ik ben goeie Mie nie: Dat zei iemand die geen geld wilde betalen wanneer hem dat werd gevraagd om iet bijzonders te kopen bv. Goeie Mie was een gifmengster uit het begin van de vorige eeuw die zieke mensen dag en nacht bij stond, vervolgens hun geld afpakte om ze vervolgens met rattenkruid te vergiftigen.  

Ingezonden door Frans Vandenbrink:

261. Zal ie de touwteering krijge, kan ie ze eige uit mekaar pluize.

Ingezonden door Anita Kok:

262. Mag ik de fractuur?: Mag ik de factuur?

Ingezonden door Aart Spek:

263. Hij/zij heb een kop as een ingedeukt spinazieketeltje: Een lelijk iemand
264. Hij/zij keikt je aan as een leeg sigaareblikkie: Iemand met uitdrukkingsloze ogen
265. Hij/zij legt in croma: Hij/zij ligt in een coma
266. Hij/zij legt op de intensieve karee: Hij/zij ligt op de intensive care
267. Synoniemen voor hartaanval/hartinfarct: hartvarken, hartinvazie

<< naar boven >>


Leids dictee: De ramp met het kruitschip

Met een onwijze teringknal vloog 200 jaar geleden het kruitschip aan het Steenschuur de lucht in. De explosie van de 369 vaatjes buskruit was te horen van de Bouwelouwensteeg via de koeliekerk tot ver voorbij de Kolfmakersteeg. De Doezastraat was één puinhoop en de Ruime Consciëntiestraat leek wel een slagveld.
Juh, het carillon van het stadhuis was zelfs beschadigd, zo hoorde je boze tongen beweren. Maar ook buiten de singels werd de ontploffing gehoord. Waar nu woonwijk de Coebel is, schrok het vredig grazende vee zich de pleuris in de polder met zijn weidse vergezichten.

De volgende ochtend bij het hazengrauwen was de volle omvang van de ramp pas goed zichtbaar. Zo’n 160 Leidenaars konden op het stro worden gelegd, vooral kinderen, baggedetten, klodderkonten en hollewaaien die hadden verzuimd op tijd de kuierlatten te nemen.
Het mannelijk deel van de bevolking had mazzel. Dat was aan het werk of bevond zich in de stoel van de barrebok. Of zat gekleed in boezeroen met helmzeel en bonkertje in de relatieve veiligheid van de gelagkamer van etablissementen en lappenkroegen in de Janvossensteeg, Choorlammersteeg, Dwars Koornbrugsteeg of Pieterskerk-Choorsteeg.

Daar waren zij steevast aan het bonaken of bamzaaien en gooiden zich vol met bier, jajem en andere spiritualiën tot ze als een blei waren. Naast de 160 mensen met een tuintje op hun buik, waren er ook nog eens 218 huizen volledig verramponeerd. En lang niet iedereen was verassureerd in die tijd, hoor.
Ondanks de beperkte communicatiemiddelen in 1807, kwam de hulp snel op gang. Koning Lodewijk Napoleon, die naar verluidt zelf de klap in ’s-Gravenhage had gehoord, was als een speer naar Leiden gekomen om de plek des onheils met eigen ogen te aanschouwen. Na een tête-à-tête met de burgemeester nam hij de schade op. Wat een tyfuszooi, kon hij niet anders dan concluderen.

De nood was hoog maar boeren, burgers en buitenlui in den lande toonden zich geen nijpnaars en gaven met gulle hand. De arme dalvers van Leiden profiteerden meer dan getroffen rijkeluiskinderen van de gegoede burgerij.
Misbruik werd er ook gemaakt van de ramp. Door de enorme toestroom van ramptoeristen stegen de bierprijzen explosief en al gauw werden de lokale horecaffers beschuldigd van laaienlichterij. Klabakken waren nodig om de orde te herstellen en te voorkomen dat de waard een kuister voor zijn harses kreeg van het boze grauw.

<< naar boven >>


Suggesties, aanvullingen en/of verbeteringen?
leids@zwaan.ws